Dit blogbericht is een vervolg van De Legende van Oude Grimwald en ik adviseer je met klem om dat verhaal eerst te lezen alvorens je in dit blogbericht verder gaat.
Deugden! Zo’n belangrijk facet van het leven dat er hele filosofieën, religies en mythologieën over zijn geschreven. Ook onze Germaanse voorouders hadden een aantal deugden die zij in hun maatschappijen centraal zette en waar ze in hun eigen leven naar streefden om deze zo goed mogelijk in hun daden te beoefenen.
Maar wat zijn deugden precies?
Deugden zijn goede eigenschappen van een persoon die blijken uit hun gedrag. Dit kan worden getoont door middel van hoe je bijvoorbeeld met elkaar omgaat, of hoe je naar een ander kijkt of met wat voor instelling je in het leven wenst te staan.
Omdat deugden goed zijn om te beoefenen behandelen we vandaag één van de meest belangrijkste deugden vanuit de Germaanse samenlevingen: Gastvrijheid!
Daarbij wil ik in dit blog stil staan bij een aantal historische bronnen, één moderne bron en als afsluiter een belangrijke Germaanse gewetensvraag.
Met dat alles in het achterhoofd kunnen we gaan beginnen!

Gastvrijheid in onherbergzaam Germanië & Scandinavië
Als we Germaanse Gastvrijheid goed zouden willen begrijpen, dan lijkt het mij verstandig om eerst stil te gaan staan bij de wereld waarin onze Germaanse voorouders hebben geleefd.
Daarin maken wij een tijdreis van 2000 jaar in het verleden, naar de gebieden die in deze rood-kleurige vlekken zijn gearceerd:

Hierboven is een uitgebreide afbeelding van de Germaanse diaspora ongeveer 2000 jaar geleden. In deze gebieden, die de Romeinen als Germanië hadden betiteld, hebben onze Germaanse voorouders zich gevestigd.
Het wordt hieruit duidelijk dat een groot deel van hen zich vestigde in natte, drassige, moerassige laagland gebieden. Doorgaans was het bezaaid met diepe bossen en uitgestrekte velden. Ook was het klimaat 2000 jaar geleden niet hetzelfde als nu. Het was er kouder, natter en guurder dan wat we tegenwoordig meemaken.
Al met al zou ik niet zozeer zeggen dat zulke gebieden een heel aantrekkelijke vakantiebestemming zouden zijn in die tijd. De Romeinen klaagden er al over!
Het is dus in deze tijden en in dit gebied dat we moeten kijken naar de gebruiken rondom gastvrijheid van onze Germaanse voorouders.
De Romeinen schreven daar het volgende over:
Geen enkel volk geeft zich zo over aan uitbundige feesten en gastvrijheid. De deur voor een mens sluiten is een misdaad. Iedereen ontvangt naar vermogen een ruim gedekte tafel.
Wanneer het feestmaal is afgelopen, wijst degene die je gastheer was je de plek aan waar je wilt eten en gaat met je mee. Je gaat zonder uitnodiging naar de buren, maar dat maakt geen verschil; je wordt met dezelfde hoffelijkheid ontvangen.
Of het nu een vreemdeling of een kennis is, niemand maakt onderscheid als het om gastvrijheid gaat.
Vertaalt vanuit Cornelius Tacitus’ “Germania”, hoofdstuk 21, c. 98CE
Nu kunnen we deze tekst, geschreven door oud-Romeins historicus Publius Cornelius Tacitus, niet zonder meer onderzoek te kunnen doen volledig als waar beschouwen.
Dat komt omdat deze tekst is geschreven met de bedoeling om de – in zijn ogen – decadente Romeinse cultuur te vergelijken met de Germaanse cultuur van zijn tijd. Hij schreef geen lofzang over onze voorouders, maar maakte vermoedelijk gebruik van bekende stereotypen over onze voorouders om Romeinse cultuur te bekritiseren.
Maar wanneer we dan deze stereotyperende tekst van Tacitus doorlezen, zoals we een stukje hierboven kunnen lezen, komt er wel naar voren dat onze Germaanse voorouders bij de Romeinen bekend stonden als uitzonderlijk gastvrij.
In de wetenschap dat Germanen en Romeinen zich in de geschiedenis grotendeels vijandig naar elkaar hebben opgesteld is deze deugdzame beschrijving van onze voorouders op zijn minst opvallend en op zijn meest een vermoedelijk correcte beschrijving van de historische realiteit.
Om verder te onderzoeken in hoeverre gastvrijheid werd gewaardeerd door onze Germaanse voorouders mogen we ons afvragen of er vanuit hun eigen culturen aanwijzingen zijn naar een waardering voor gastvrijheid.
En dat kunnen we vinden wanneer we onze blikken werpen op de noordelijke gedeelte van de Germaanse taalwereld, in Scandinavië!

Op naar Scandinavië!
Wanneer we dan een tijdssprong gaan maken van meer dan 1000 jaar komen we in het verre noorden van Europa de Noord-Germaanse volkeren tegen die zich tegen die tijd hadden ontwikkeld als de Noormannen.
Germaanse culturen hadden daar in relatieve isolatie zichzelf doorontwikkeld, wiens mythologische uitingen door IJslanders dan uiteindelijk op papier is gezet. Deze staan heden-ten-dage bekend als de Poëtische Edda en de Proza Edda en zijn dus van Noord-Germaanse komaf.
Wat wij daarin onder andere tegenkomen is een gedicht genaamd de Hávamál, wat vertaald wordt als “Het lied van de Hoge”. De Hoge is in dit geval Óðinn, wat Oud-Noords is voor Wodan.
Sommige Heidenen geloven dat dit lied geïnspireerd is door Wodan zelf, aangezien het vele wijsheden en adviezen bevatten over hoe een deugdzaam leven kan worden geleefd en op deze website heb ik daar al uitbundig over geschreven.
Gastvrijheid neemt daarin een vooruitstaande plaats in en komt meermaals voor in dit lied. Er word advies gegeven voor de gastheer en gastdame, als mede voor de gast zelf in hoe er met elkaar moet worden omgegaan en waar aan gedacht dient te worden.
Dat vul ik graag aanvullen met deze voorbeelden vanuit de Hávamál:
v. 2 | Een groet voor de gastheer! Een gast is gekomen, waar mag hij gaan zitten? Hij wacht bij de deurpost vol ongeduld, en weegt van daaruit zijn kansen.
v. 3 | Het vuur zoekt hij die binnenkwam, die koud is tot op zijn knieeën. Eten en kleren moet de man hebben die over de bergen kwam.
v. 4 | Geef hem water die komt om te eten, een handoek, een hartelijk onthaal, warmte en woorden van lof, een welkom en stilte bij zijn verhaal.
v. 135 | Mijn raad Loddfafnir, neem die raad aan, je leert er wat van als je hem leert, het zal je goed doen als je hem tot je goed maakt. Blaf geen gast af, wijs hem niet het gat van de deur, behandel een sloeber goed.
v. 136 | Zwaar is de balk die je wegdraaien moet om iedereen binnen te laten; geschenken moet je geven, anders roep je over al je ledematen de pest af.
Nu zijn dit maar vijf voorbeelden vanuit dit lied, maar er zijn meerdere verzen die over gastvrijheid gaan.
Gezien deze versen overal in het lied voorkomen, alsmede helemaal aan het begin van het lied, kan ervanuit worden gegaan dat de auteur, of auteurs, van dit lied leefde in een wereld waarin gastvrijheid een vooruitstaande deugd was om te beoefenen.
Niet alleen in de Hávamál, maar ook in bijvoorbeeld de Grímnismál wordt gastvrijheid onder de loep genomen. In dat verhaal stelt Wodan een Gothische koning op de proef naar zijn gastvrijheid. De Gothische koning zijn deugdzaamheid wordt daarin op de opperste proef gesteld.
In deze blog ga ik niet vertellen hoe dat verhaal zich verder afspeelt, maar ook daar zie je weer dat gastvrijheid hoog in het vaandel stond bij Germaanse culturen. Als je wel wilt weten hoe de Gothische koning Wodan’s proef heeft doorstaan, dan adviseer ik jou om de Grímnismál te gaan lezen – te vinden in een vertaling van de Poëtische Edda!
Gezien we dus vanuit Romeinse en Noord-Germaanse bronnen kunnen zien dat onze voorouders gastvrijheid hoog in het vaandel hadden, kunnen we ons afvragen in hoeverre moderne verhalen deze gastvrijheids-waardering hoog houden.

Moderne legendes over Germaanse Gastvrijheid
In een vorige blogpost deelde ik De Legende van Oude Grimwald. Als je bekend bent met dat verhaal dan zie je weer dat Wodan iemand om zijn gastvrijheid op de proef stelt.
Maar in plaats van het Oude Grimwald gemakkelijk te maken door als zichzelf bij hem als gast te komen, vermomd hij zichzelf tot drie maal toe als iemand die hulp behoeft. Eerst als een gewonde soldaat, dan als een schrompel meisje en als derde een verloren kind met een stinkende hond. Kortom, mensen die meer zorg nodig hebben dan enkel een eenvoudige slaapplek.
Oude Grimwald zat er natuurlijk niet op te wachten om al die extra zorg te moeten verlenen, hij had immers zijn hele stek al op orde gemaakt en dure boodschappen gedaan voor een uitzonderlijke gast. In plaats daarvan moet hij zijn dure zalm delen met onbekende gasten die meer van hem vragen dan zijn oude lijf eigenlijk aan kan.
Het wordt hem zelfs fataal.
Maar hij doet het maar toch.
Dat laat zijn deugdzaamheid goed zien.
Hij had ook prima tot driemaal toe de deur dicht kunnen doen. Hij had alle drie de gasten kunnen wegsturen omdat hij nou eenmaal een Goddelijke gast verwachtte en geen van de drie vertoonden schijn van Goddelijkheid.
Maar toch aten ze, dronken ze en sliepen zij veilig en vredig bij hem. Daarvoor wordt hij dan uiteindelijk toch door Wodan beloond doordat hij na zijn dood een rechtvaardige plek mag innemen in de Hal der Gevallenen.
Ook dit moderne verhaal toont weer aan hoe belangrijk gastvrijheid geacht wordt door Wodan. Of dit gebaseerd is op een waargebeurd verhaal, dat betwijfel ik, maar dit soort verhalen doen meestal de ronde voor belangrijke redenen.
Ikzelf geloof dat dit verhaal belangrijk is omdat het weer eens laat zien hoe belangrijk gastvrijheid door de Goden, en in het bijzonder Wodan, wordt geacht.
Zodoende wordt er enige vrijgevigheid van ons verwacht terwijl gierigheid juist wordt afgekeurd.
Wat dat betreft ben ikzelf wel eens benieuwd hoe het dan nu staat in onze cultuur met onze gastvrijheid. Wat betekent het tegenwoordig nog om nog gastvrij te zijn?

Hoe zit het nu met de gastvrijheid?
Hier in Nederland hebben we inmiddels een ander soort maatschappij opgebouwd.
Het is er ééntje van hoofdzakelijk individualisme en zelf-beschikking. Dat is niet per sé fout, maar het kan er toe leiden dat we minder omkijken naar een ander omdat we meer bezig zijn met onszelf.
Stel jezelf nu eens de volgende vragen: Als er bij jou wordt aangebeld en er staat een compleet onbekend iemand aan de deur met wellicht een grote rugzak op z’n rug, je ziet dat deze persoon ver heeft gereisd en dat deze persoon ook een beetje is uitgehongerd, zou je zo iemand dan binnenlaten?
Zou jij inderdaad eten verschaffen aan deze compleet onbekende persoon?
Zou jij het echt durven om zo iemand bij je in huis te nemen?
Zou jij het werkelijk toelaten dat deze persoon zich bij jou kan voeden?
Zou jij het serieus accepteren dat deze persoon zich gaat wassen bij jou en in jouw huis komt om te slapen?
Of zou jij deze persoon helpen om een hotel, Bed-&-Breakfast of een ander soort dienst te vinden waarbij deze persoon terecht kan? Wellicht stuur je de persoon door naar de daklozen opvang?
Of zou jij zo iemand willen zijn die de deur simpelweg dicht gooit voor zo iemand?
Ik zou zeggen dat deze vragen op z’n minst het stellen waard zijn, al is het maar om te weten hoe jijzelf erin staat.
Een Heidens antwoord
Als ik de Hávamál er nog eens op na lees, dan zie ik dat de Grote God ons vraagt om zij die om hulp vragen altijd goed te behandelen. In het geval van dat lied, wat doorgaans geschreven is rond het einde van het Viking-tijdperk, was gastvrijheid daarin van groot belang.
Wellicht is het in de huidige tijd minder prangend om deze verzen exact zo uit te voeren zoals Wodan erin beschreven heeft. Een moderne variant kan inderdaad zijn dat je zo iemand verder de weg wijst naar een hostel, hotel of ander soort dienst. Dan heb je alsnog een verloren iemand verder geholpen – zo behandel je die arme sloeber goed!
Maar als je een echte gastvrije durfal wilt zijn, dan zou ik zeggen dat het met enorme genegenheid wordt gezien door de Hoge wanneer jij toch iemand daadwerklijk in huis neemt.
Ik geef eerlijk toe dat ik niet zeker weet of ik dat zelf zou durven.
Maar misschien zou ik het wel moeten overwegen mocht het moment er ooit komen.
Gelukkig is gastvrijheid lang niet altijd verschaffen van een slaapplek, het kan ook gewoon goed zorgen zijn voor je visite. Dus bij een volgende keer dat je weer mensen over de vloer hebt, denk dan maar eens aan Het Lied van de Hoge, de Grímnismál en De Legende van Oude Grimwald.
Moge die verhalen je inspireren tot het goed verzorgen van je gasten, zoals waarschijnlijk onze Germaanse voorouders dat deden en waar onze Goden op toe zullen lachen.
Wees heel!

